|
ICT-project Walhalla blijkt te ambitieus
Weekblad voor Wageningen UR, ergens in 2003
Het ICT-project Walhalla, dat 1.47 miljoen euro kostte, was te ambitieus. In het project werkten Wageningen Universiteit, het Van Hall Instituut in
Leeuwarden en Hogeschool Larenstein aan de inzet van computers, internet, en video conferencing bij gezamenlijke opleidingen. De gezamenlijke opleidingen kwamen echter om verschillende redenen grotendeels niet van de grond. Ook bleek video conferencing lastig uitvoerbaar en het gebruik van ICT in het onderwijs in het algemeen tegen te vallen.
De betrokken instellingen beschouwen het project als geslaagd, omdat ervaring is opgedaan met ICT in het onderwijs. Dit staat in een evaluatierapport van december 2002. Projectleider Wiebe Nijlunsing denkt wel dat ICT te veel als doel op zich is gezien, en te weinig als middel. "De instrumentele kant van ICT is te veel benadrukt. Er is te weinig gekeken naar de vraag", zegt hij.
Walhalla, dat deels gefinancierd werd door stichting SURF en het ministerie van LNV, bestond aanvankelijk uit twee onderdelen: Wageningen Universiteit
en het Van Hall Instituut werkten samen aan de Friese propedeuse voor een aantal studierichtingen, en Larenstein en Van Hall wilden samen de opleiding Tuinbouw en Akkerbouw aanbieden.
Een aantal onvoorziene situaties bemoeilijkte de voortgang van het project. De Friese propedeuse werd wegens de lage aanmeldingscijfers afgeschoten en de opleiding Tuinbouw en Akkerbouw kwam door gebrek aan overeenstemming niet van de grond. Een deel van het projectgeld werd daarom geivesteerd in de opleiding Food and Business, een samenwerking tussen de locaties Velp en Deventer van hogeschool Larenstein.
De deelnemende instellingen wilden met het Walhalla-project ook het gebruik van ICT op een lijn brengen. Daarbij moesten vakken geheel vernieuwd worden
met behulp van de nieuwe media. Dit kostte de docenten echter meer tijd dan verwacht, waarvoor geen geld was begroot. Als gevolg hiervan gingen docenten steeds meer hun eigen weg en werkten ze vooral in kleine stappen aan de optimalisatie van individuele vakken.
"De onderwijskundige vernieuwing heeft daarmee onvoldoende gestalte gekregen", vindt Nijlunsing. ,,We hebben van meet af aan breed ingezet, maar docenten hebben aan elk vak toch een eigen invulling gegeven." Om deze reden werd tijdens het project de ambitie teruggeschroefd, waardoor beter kon worden
ingespeeld op de specifieke vraag van docenten. Het grote geheel verdween daarbij uit het zicht.
Nijlunsing denkt dat ongeveer de helft van het projectgeld is gebruikt voor de aanschaf van materiaal voor vakondersteunende websites en video conferencing waarmee studenten in Leeuwarden op afstand college zouden kunnen volgen. De andere helft ging naar scholing en ondersteuning van docenten.
Volgens het evaluatierapport bleven verschillende toepassingsmogelijkheden van de zogenaamde Elektronische leeromgeving echter onbenut. De toepassing van video conferencing bij grootschalige hoorcolleges gaf slechts in een beperkt aantal gevallen bevredigend resultaat. "Door de complexiteit van het materiaal bleek het moeilijk om de zaal in te richten", verklaart Chris Blom van Onderwijsondersteuning in Wageningen. "In de loop van de rit hebben we dingen bij moeten stellen. Het bleek lastig voor de docenten. Er zijn zoveel mogelijkheden waarop je met zo'n zaal om kan gaan, maar je moet wel weenn format hebben."
Blom vindt dat het gebruik van video conferencing tegenvalt. "Ik denk dat daar al gauw twee ton in is gaan zitten. Het gebruik staat niet in verhouding met
de investering." Voor video conferencing werden op vier locaties ruimtes ingericht met camera's, microfoons, speciale computers en projectieschermen. In Wageningen werd een collegezaal voor tweehonderd studenten ingericht. Hier werd echter zeventig procent van de zaalmicrofoons vernield door studenten.
Blom en Nijlunsing denken beide dat investeren in technologie noodzakelijk is als instellingen ervaring willen opdoen met ICT. "Het is nu eenmaal een
dure hoek", zegt Blom. "Ik ken een heleboel andere IT-projecten die veel geld kosten. Ik denk dat we wat dat betreft niet uit de pas lopen."
Volgens het evaluatierapport hebben de betrokken instellingen, docenten en onderwijsondersteuning ervaring opgedaan met ICT in het onderwijs. Nijlunsing denkt dat Walhalla ook heeft bijgedragen tot een nauwere samenwerking tussen de instellingen. Deze gaan verder met het ontwikkelen van gezamenlijke ICT-inzet.
"Misschien waren we onze tijd te ver vooruit", zegt Nijlunsing. Hij wist voor aanvang van Walhalla al dat het project mogelijk te ambitieus zou zijn. "De naam Walhalla geeft ook de ironie van de situatie aan: we gaan met elkaar naar de hemel, maar weten niet hoe ver we zullen komen."
<<< Terug naar column
|