|
"That which doesn't kill me only makes me stranger "
|
|
||||||||||||||
02.12.2009 |
|
|
Zo ga je niet met vrouwen om
‘Natuurlijk ben ik een echte vent’, zegt Martin Kropff verontwaardigd.
‘Dan is het goed’, zegt Aalt Dijkhuizen.
‘Waarom zou ik geen echte vent zijn als ik me bekommer om de vrouwen in onze organisatie?’, wil Kropff weten.
‘Als Martin Kropff uit eigen beweging informeert naar de positie van de vrouw binnen Wageningen UR, dan is hij een echte kerel’, sust Dijkhuizen. ‘Hij is pas een mietje als hij zich door een vrouwengroep onder druk laat zetten.’
Kropff verschiet van kleur. ‘Ik vraag gewoon waarom we het Charter Dekker niet ondertekenen.’
Dijkhuizen zucht. ‘Waarom zouden wij een document ondertekenen waarin we ons verplichten om meer vrouwen in hoge functies te krijgen? Geen enkele universiteit heeft zoveel vrouwelijke hoogleraren als wij.’
Breukink schraapt zijn keel. ‘Volgens de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren valt dat wel mee’, zegt de rekenkundige wonderjongen. ‘Nog geen tien procent van onze hoogleraren is vrouw.’
Dijkhuizen haalt zijn schouders op. ‘Natuurlijk hebben we even tijd nodig. Maar kijk toch eens hoe verschrikkelijk veel vrouwelijke hoogleraren erbij zijn gekomen, de afgelopen vijf jaar.’
Voordat Breukink kan zeggen dat ‘verschrikkelijk veel’ in dit geval een halve procent betekent, praat Dijkhuizen alweer verder. ‘Bovendien is het Charter kwetsend voor vrouwen’, zegt hij.
Zwijgend kijken de rector en de opperste boekhouder de leider der leiders aan.
‘Echt waar’, zegt Dijkhuizen. ‘Moet je eens luisteren wat het Charter hier zegt: Binnen zes maanden na ondertekening van het Charter stelt de organisatie duidelijke en meetbare doelstellingen voor meer vrouwen naar de top vast.’
Kropff en Breukink blijven zwijgen.
‘Het is dat ik zoveel milder ben geworden’, zegt Dijkhuizen. ‘Anders had ik Sybilla Dekker persoonlijk een boze brief gestuurd. Zo ga je toch niet met vrouwen om?’
Onzeker kijkt Kropff naar Breukink. Breukink haalt zijn schouders op. Ook hij heeft geen flauw idee waar Dijkhuizen naartoe wil.
‘Het Charter gaat er van uit dat vrouwen niet op eigen kracht omhoog kunnen klimmen’, zegt Dijkhuizen spottend. ‘Hoe het met de ondertekenaars is, dat weet ik natuurlijk niet. Ik ken Aegon en ING natuurlijk niet. Maar Wageningen UR ken ik heel, heel goed. En Wageningen UR is een vrouwvriendelijke organisatie.’
Dijkhuizen leunt naar achteren. Hij houdt van monologen, en dat kun je zien. ‘Neem nou die zeven nieuwe hoogleraren die we hebben benoemd. Jullie weten toch wie daarop staan? Claudia Minca en Adrie van den Brink. Twee prachtvrouwen die binnen Wageningen UR op eigen kracht hoogleraar zijn geworden. Charters hadden ze daarvoor niet nodig.’
‘Ik dacht dat Adrie…’, zegt Kropff zachtjes, maar Dijkhuizen hoort hem niet.
‘Reken maar uit, Tijs’, zegt Dijkhuizen triomfantelijk. ‘Twee op de zeven. Hoeveel procent is dat?’
Aarzelend legt Breukink zijn rekenmachine op zijn knie. ‘Claudia Minca?’, mompelt hij. ‘Het was toch…’
|
|