|
"That which doesn't kill me only makes me stranger "
|
|
||||||||||||||
21.10.2009 |
|
|
Ik dwing respect af
‘…Dus ik zeg tegen meneer: en wat zijn wij hier aan het doen? Wat doet die gele grond op de tussenstroken van onze mooie parkeerplaats?’ Peter Booman, de hoogste baas van het Wageningse Facilitair Bedrijf, slaat zijn handen in elkaar. Damp ontsnapt uit zijn mond. Het is koud op de parkeerplaats bij het Radixgebouw.
‘En een mooie parkeerplaats is het geworden’, zegt Tijs Breukink goedkeurend. ‘Uiteindelijk.’
‘Dus meneer pruttelt wat, maar dan zeg ik: ik weet het goed gemaakt. Jij zorgt dat er zwarte grond op die stroken komt. En snel een beetje. Hatsikidee.’
‘Ik hoor die toon vaker bezigen’, zegt Breukink. ‘Hij schijnt in Wageningen onlosmakelijk te zijn verbonden met het bekleden van een belangrijke positie.’
‘Dank je’, zegt Booman.
‘’t Is niks.’
‘En even later zie ik hem en zijn collega's gehoorzaam zwarte grond op de groenstroken stoppen’, vervolgt Booman. ‘Prima toch? Want wat is er nou mooier dan een beetje groen op de parkeerplaats?’
‘Eigenlijk niks’, bevestigt Breukink. ‘Jammer dat het zo duur in het onderhoud is.’
‘Daar kwamen wij ook achter’, vervolgt Booman. ‘Maar toen was meneer een paar dagen al klaar. Meneer wilde al zijn biezen pakken. Dus toen vroeg ik: ho ho. Waar gaan wij naartoe?’
‘Vertrouwen is goed, maar controle is beter’, zegt Breukink. ‘Dat hoor ik Aalt vaak zeggen.’
‘Naar de volgende klus, antwoordt meneer. De groenstrook is klaar, en nu gaan wij verder met iets anders. Dus ik kijk hem doordringend aan en dan vraag ik: groenstroken? Wie heeft het hier over groenstroken?’
Breukink wil wat zeggen, maar besluit zijn mond te houden.
‘Weet je wel hoe duur groenstroken zijn in het onderhoud? Gooi er maar gele grond op. Dan kun je er daarna betonklinkers in leggen. Hop! Handen uit de mouwen! Geef hem van jetje! En daarna zie ik meneer en zijn collega’s dus dagenlang in z’n mobiele kraan de zwarte grond uitlepelen.’
‘Geen efficiënte manier van werken’, vindt Breukink. De opperste rekenmeester kijkt bedenkelijk.
‘Dat niet’, erkent Booman. ‘Maar je moet zulke mensen duidelijk maken wie de baas is. Ik ga natuurlijk niet hardop zeggen dat wij van Wageningen UR onze berekeningen niet op orde hadden.’
‘En toen ze klaar waren?’, vraagt Breukink.
‘Toen heb ik ze ook nog opnieuw de verkeersdrempels laten aanleggen. Die waren te hoog.’
‘Waren ze niet boos? Dat ze ook dat helemaal opnieuw moesten doen?’
‘Welnee’, zegt Booman. ‘Ze weten dat ze met mij geen loopje kunnen nemen. Als ik iets zeg, dan doen ze het. Ook toen ik zei dat ze nieuwe kabels voor de verlichting moeten ingraven - geen centje pijn. Ik dwing respect af bij de mensen.’
‘En nu is de parkeerplaats klaar?’, vraagt Breukink.
‘Sinds vanmiddag. Ziet hij er niet pico-bello uit?’ Booman gebaart naar de weidse en ledige parkeervlakte.
‘Inderdaad’, zegt Breukink.
‘Ik kan alleen m’n auto nergens meer vinden’, zegt Booman. ‘Ik had hem vanochtend hier neergezet.’
‘Misschien hebben ze hem versleept?’
‘Hij moet vlak in de buurt zijn, Tijs. Als ik op de deurontgrendelaar druk, dan hoor ik hem.’ Demonstratief drukt Booman op het knopje van zijn sleutelhouder. ‘Hoor je hem?’
Breukink houdt zijn hoofd een beetje schuin en knikt nadenkend.
‘Ik dus ook’, zegt Booman, die vervreemd om zich heen kijkt. ‘Maar ik zie hem nergens.’
Breukink zakt door zijn knieën en legt zijn oor op het plaveisel. ‘Doe het nog eens’, vraagt hij.
|
|