WillemKoert.nl

"That which doesn't kill me only makes me stranger "

over mij

/

klanten

/

stukjes

/

onderzoek

/

contact

/

18.02.2010

En ik dan?

‘Had je me dat niet even kunnen vertellen’, moppert Willem Koert, de bijna vergeten Wageningse columnist. ‘Ik sta voor zot.’

‘Sorry’, verontschuldigt Margreet de Boer zich. ‘Nog een kopje thee?’

‘Toe dan maar’, zegt Koert mokkend.

‘Ik kan zoiets toch niet verklappen?’, zegt de PvdA-coryfee terwijl ze de columnist inschenkt. ‘Ik heb zelfs m’n man niet verteld dat Aalt Dijkhuizen een derde termijn zou krijgen.’

‘Maar je had het toch wel tegen mij kunnen zeggen?’, pruilt Koert. ‘Wat heb ik nou aan een tante in de Raad van Toezicht als die zulke dingen voor me verzwijgt?’

‘Achter-achter-tante’, corrigeert De Boer. ‘De genetische overeenkomsten tussen jou en mij zijn beperkt.’

‘Een hele opluchting, tante Margreet’, zegt Koert. ‘Maar in jouw positie als achter-achter-tante hoor je in te grijpen als je schrijvende lievelingsneef...’

‘...lievelings-achter-achter-neef...’, corrigeert De Boer nogmaals.

‘...als je lievelings-achter-achter-neef een kollum tikt over het nakende vertrek van Aalt Dijkhuizen en zich vervolgens voor de ganse Wageningse gemeenschap in z’n hemd zet.’

‘Je ziet er anders geweldig uit in een hemd, gespierde man. En je overdrijft. Het interesseert niemand in Wageningen een zier wie er aan het bewind staat, en al helemaal niet wat mijn immer bozige achter-achter-neef daarover voor onzin uitkraamt. Iedereen is moe gereorganiseerd. Iedereen is alleen nog maar met zichzelf bezig.’

‘Als het dan toch niet uitmaakt wie er de baas is in Wageningen, waarom nemen jullie dan niet iemand die deugt?’, vraagt Koert. ‘Iemand met charisma en uitstraling. Iemand die niet alleen denkt in termen van geld en macht, maar ook in mensen en wetenschap. Iemand die door de medewerkers wordt gezien als een leider, niet iemand waarvan de medezeggenschap vindt dat-ie eigenlijk moet ophoepelen. Als het dan toch niet uitmaakt, waarom nemen jullie dan zo'n overbetaalde Poetin die elke kritische onderzoeker persoonlijk intimideert? Waarom niet iemand met echte kwaliteiten?’

‘Dat heb ik je al verteld’, zegt De Boer. ‘Ik word er zo moe van dat je daar alweer over begint. Ik vond André van der Zande ook erg g...’

‘Ik – ik - ik’, zegt Koert boos. ‘Je denkt alleen maar aan jezelf. En ik dan? Nou moet ik weer vier jaar grappige stukjes over die kleurloze tiran schrijven. Denk je dat ik dat leuk vind?’

De gewezen minister legt haar hand op de brede schouder van de gevierde schrijver. ‘Natuurlijk denk ik dat niet, ruziezoekerige neef. Maar we zien de toekomst voor Wageningen somber in. LNV houdt op te bestaan, van de DLO's blijft niks over en de nasleep van de recessie gaat Wageningen nog veel meer kosten dan iedereen denkt. Het is nog maar de vraag of Wageningen de komende jaren overleeft.’

‘Nee, nog vier jaar Dijkhuizen’, mompelt Koert. ‘Alsof Wageningen dat overleeft.’

‘Voor iemand met zo’n lelijk hoofd ben je heel aantrekkelijk’, zegt De Boer berispend. ‘Maar niet als je het over Dijkhuizen hebt.’

‘Jij vindt Aalt leuker dan mij’, zegt Koert beschuldigend.

‘We hebben Aalt gewoon nog even nodig, lieve neef. We zullen straks rigoureus moeten ingrijpen in Wageningen. Vies werk kun je beter laten doen door iemand die toch al stinkt.’

De Boer roert in haar thee. Koert kijkt mistroostig voor zich uit.

‘Ik denk dat ik met m’n kollum stop’, zegt Koert. ‘Ik moet er niet aan denken dat ik nog eens vier jaar lang moet gaan toekijken hoe Wageningen naar de vernieling gaat.’

De Boer glimlacht. ‘Eigenlijk is dat een goed idee. Hoe lang schrijf je die stukjes nou al? Zes jaar?’

‘Acht jaar, tante.’

‘Je moet weten wanneer je moet stoppen.’



Standje drie

‘Alles hebben we geprobeerd’, exclameert Aalt Dijkhuizen.

‘Echt alles’, valt Martin Kropff de machtige bestuurder bij.

‘We hebben ambtelijke praatgroepen in het leven geroepen’, vervolgt Dijkhuizen. ‘We hebben regels uitgevaardigd. We hebben de druk opgevoerd. We hebben het gezegd in onze redevoeringen en in onze interviews. Vraag het maar aan Martin hier. Martin? Wat zeggen wij altijd?’

‘Dat wij een top-universiteit zijn, Aalt’, gehoorzaamt de rector magnificus. ‘Dat Wageningen de allerbeste wetenschappers van de hele wereld heeft.’

‘Zo is het. En nou moeten jullie eens raden wat het effect van al onze inspanningen is.’ De kin opgeheven en het rijzweepje onder zijn arm kijkt de leider der leiders om zich heen. Het is kil in de catacomben van het Bestuurscentrum. En stil. Geen van de tientallen wetenschappers die hier zijn verzameld durft een woord te spreken. Allen zijn nog jong, ergens tussen de 32 en 48, maar in het onbarmhartige schijnsel van de TL-balken zien hun gezichten er doorgroefd en grauw uit.

‘Laat ik het zo formuleren’, buldert Dijkhuizen. ‘Hoeveel Vici-beurzen hebben wij de afgelopen vier jaar van de NWO mogen ontvangen?’

Het enige antwoord dat de grote roerganger krijgt is de nagalm van zijn eigen stem.

‘Nou?’, valt Kropff Dijkhuizen bij. ‘Wat denken jullie?’

Geen één, dames en heren wetenschappers’, sneert Dijkhuizen. ‘Wageningen is weer eens de risee van de Nederlandse universiteiten.’

‘Dat betekent dat ze ons uitlachen’, verduidelijkt Kropff.

‘De wetenschappers die mijzelf en Martin hier verblijden met prijzen, prestigieuze beurzen en onderscheidingen zijn de vijftigers en zestigers’, vervolgt Kropff. ‘Maar de jongere generatie speelt niks klaar. Ondanks alle zorg die wij aan jullie besteden zijn jullie nog steeds te lui en te slap om creatief te zijn. Ondanks de welwillende inspanningen van jullie superieuren is jullie mentaliteit nog steeds die van de kudde. Hier in Wageningen is de provinciale middelmatigheid nog immer troef. Martin?’

‘Jawel, mijn leider’, salueert Kropff. De rector klakt de hakken van zijn laarzen klakken tegen elkaar en brengt zijn rechter wijsvinger in de WUR-groet naar zijn voorhoofd.

‘Wat voor wetenschappers willen wij, Martin?’

‘Wetenschappers met een jonge-honden-mentaliteit’, antwoordt Kropff luidkeels. ‘Ongebonden creatieve geesten, die spontaan het ene geweldige idee na het andere krijgen.’

‘Exact, Martin. En hoe gaan wij er nu voor zorgen dat deze wetenschappers ongebonden en creatief worden?’

‘Discipline!’, loeit Kropff. ‘Training! Boot-camp! Push-ups! Leuzen roepen. Groepsgewijs marcheren met alle neuzen dezelfde kant op! Net zolang totdat iedereen hier jong, wild, creatief en ongebonden is. Eerder vertrekt hier niemand.’

‘En wat doen wij met lastpakken met een neus die de verkeerde kant op staat?’

‘We stoppen hun handjes in het tosti-apparaat’, antwoordt Kropff.

‘Precies’, zegt Dijkhuizen grimmig. De leider der leiders wijst met zijn zweepje een niet opvallend lange doch fier gekuifde wetenschapper aan. ‘Hebben wij dat gehoord, meneer de wetenschapper?’

Patrick Jansen – want hij is het, lezers – knikt bevestigend.

‘Ik versta ons niet’, zegt Dijkhuizen verstoord.

‘Jawel’, zegt Jansen.

‘Het weke stemmetje waaruit zo weinig originaliteit spreekt’, observeert Dijkhuizen afkeurend. ‘De door lavalampen en kleurentelevisie vertroebelde blik, onmachtig precies datgene te zien wat niemand opvalt. Verziekt door de decadente muziek van de BeeGees. Verweekt door het rijden op een brommer. Hier hebben we dus zo'n onderzoeker van de verloren generatie.’

Kropff schuifelt naar de leider der leiders toe. ‘Dit is Patrick Jansen’, fluistert Kropff. ‘Won in...’

‘Toch niet de mispunt Patrick Jansen die publiekelijk heeft verkondigd dat hij het vertikt om Wageningen Universiteit in het vervolg Wageningen University te noemen?'

‘Die Patrick Jansen’, zegt Kropff zachtjes. ‘Tevens winnaar van de...’

‘Handjes in de tostimachine!’, buldert Dijkhuizen. ‘Standje drie!’

‘Patrick won in 2007 een Vidi-beurs’, zegt Kropff. ‘De opstap van een Vici-beurs. Patrick is misschien de beste kans die wij hebben om een Vici-beurs weg te kapen. Het is wellicht onverstandig om tegen Patrick...’

‘De scheidslijn tussen productief-kritisch en ordinair-zeikerig is dun’, zegt Dijkhuizen bitter.



In de steek gelaten?

Dijkhuizen krabt op zijn hoofd. ‘Ik weet echt niet meer hoe dat lelijke ding heet. Help me even.’

Vragend kijkt Martin Kropff Tijs Breukink in het gezicht. ‘Waarover gaat het?’

‘Die betonnen monstervaas langs de Kortenoord Allee’, zegt Breukink.

‘Dat ding’, huivert Kropff.

‘Een heus kunstwerk, Martin’, zegt Breukink. ‘Ik heb hem een paar dagen geleden weggegeven aan de gemeente.’

‘De Hoorn Des Overvloeds’, zegt Dijkhuizen. ‘Nou weet ik het weer. Symboliseert de Wageningse bijdrage aan de oplossing van het wereldvoedselvraagstuk.’

‘Nooit geweten’, zegt Kropff met een vies gezicht. ‘Wat interessant.’

‘Aalt en ik wilden hem eigenlijk willen laten slopen’, zegt Breukink. ‘Totdat we ons realiseerden dat we goedkoper uit waren als we hem weggaven.’

‘En bij de gemeente waren ze er blij mee?’, vraagt Kropff ongelovig.

‘Nauwelijks’, antwoordt Breukink. ‘De heren en dames informeerden of ze de hoe-heet-het-ding gevuld met euro’s weer moesten teruggeven. In dat geval hoefden ze hem niet.’

‘Dat soort geluiden horen we veel te vaak’, zegt Dijkhuizen. ‘Op de één of andere manier heeft de buitenwereld het idee gekregen dat wij van Wageningen UR nietsontziende geldwolven zijn, die alleen maar geld willen verdienen en verder niets.’

‘Nou is dat natuurlijk...’, begint Kropff.

‘Verschrikkelijk boos word ik daarover’, vervolgt de leider der leiders.

‘...Niet waar’, voltooit Kropff bedeesd. ‘Hoe komen ze op het idee?’

‘Dat geldwolvenimago is schadelijk voor ons’, zegt Dijkhuizen. ‘Bedrijven vinden ons onderzoek te duur, buitenlandse studenten klagen over het collegegeld. Er komt minder geld van rijke alumni binnen en bij de gemeente Wageningen hebben we het helemaal verbruid. De raad heeft ons plan voor De Dreijen het raam uitgegooid.’

‘Anderhalf uur werk naar de knoppen’, moppert Breukink.

‘We moeten de mensen duidelijk maken dat het ons niet om het geld gaat’, zegt Aalt Dijkhuizen. ‘Het gaat om ons zorg voor het milieu. Voor de landbouw. Voor gezonde voeding. Voor dierenwelzijn. Voor arme landen. Al die dingen zijn voor ons veel en veel belangrijker dan geld. De mensen moeten ons weer gaan vertrouwen. Ze moeten weten dat geld ons geen moer interesseert.’

Zenuwachtig schuift Breukink heen en weer op zijn stoel. ‘Moet dat nou?’, vraagt de mathematische wonderjongen.

‘Jazeker’, antwoordt Dijkhuizen ferm. ‘Daarom is er een denktank gekomen die uitzoekt hoe we dat imago kunnen corrigeren. Hoe we ervoor kunnen zorgen dat de goegemeente weet dat de organisatie Wageningen UR liever geeft dan neemt.’

‘Ik ben een man van weinig emoties’, bekent Breukink. ‘Maar nu word ik toch een beetje zenuwachtig.’

‘Ik heb hetzelfde als Tijs’, schraapt Kropff al zijn moed bij elkaar. ‘Maar dan minder.’

‘Ik heb altijd gedacht dat we hier alleen maar naar de centjes keken en verder naar niks’, zegt Breukink. ‘Nu ik dit hoor voel ik me...’ De boekhouder kijkt even weg, naar het plafond, terwijl hij zoekt naar woorden.

‘In de steek gelaten?’, helpt Kropff.

Breukink knikt. ‘Dat is het precies.’

‘Niet nodig’, zegt Dijkhuizen. ‘We gaan natuurlijk niet ècht een liefdadigheidsinstelling worden.’

‘Nee?’, vraagt Breukink opgelucht.

‘Welnee. Als ze daarbuiten maar blijven denken dat we hier in Wageningen nog steeds net zulke wereldverbeteraars zijn als in de jaren zeventig en tachtig. Als die rijke oude alumni met de snel teruglopende gezondheid ons maar in hun testament zetten. Als de gemeente de plannen maar accepteert die wij voorkoken.’

‘Ik ben alweer gerustgesteld’, zegt Breukink.

‘Aan mij is een puike acteur verloren gegaan’, merkt Dijkhuizen tevreden op.

‘Maar die denktank dan?’, wil Kropff weten.

‘Pure window dressing. Simon Vink is de voorzitter.’

Hoorbaar laat Kropff zijn adem ontsnappen. Breukink gaat verzitten en leunt achterover.

‘Ik was er bijna ingetrapt’, zegt Kropff.



Blij dat ik wegga

(14.01.2010)

Wat doet Tijs nu?

(11.01.2010)

Wij gaan een eindje vliegen

(23.12.2009)

No problemo

(09.12.2009)

Zo ga je niet met vrouwen om

(02.12.2009)

Ik ben bang dat u gelijk heeft

(27.11.2009)

Zo'n kans

(19.11.2009)

Onzin, natuurlijk

(31.10.2009)

Ik dwing respect af

(21.10.2009)

Dat zeggen ze

(07.10.2009)